Je kunt dit verhaal ook lezen op de website van Hard//hoofd. Illustratie is van Olivier Heiligers.

Engel

‚Äč

Er valt een man uit de lucht. Je ligt te zonnen in de achtertuin en luistert naar geluiden van de zomer: stemmen van spelende kinderen een paar huizen verder, kletterend servies, het ronken van een grasmaaier en het sissen van gazonsproeiers. Kate heeft je ingesmeerd. De geur van zonnebrandcrème roept beelden bij je op die je onderzoekt in het donker achter je oogleden: warme lichamen, bakkende billen, blote borsten, de randen van bikinibroekjes.

     Hij komt vlak naast je neer, slaat een krater in de tuin. Je hoort een doffe plof, het geluid van barstend steen. Kate gilt en je opent je ogen. Wit weggetrokken staat ze in de deuropening te kijken naar het bloed dat tussen de voegen van jullie terrastegels de aarde in trekt.

 

De rechercheurs komen, het forensisch team, de opruimdienst, de journalisten.

     Het gebeurt, dit soort dingen, zeggen ze. De man had zich verstopt in de laadruimte van een vliegtuig bij het landingsgestel. Hij was helemaal bevroren, misschien was hij daarom nog redelijk in takt toen hij in jullie tuin belandde.

 

Jullie huis, met politielint afgezet, staat op de voorpagina van iedere krant. Dronebeelden. Google Streetview. Het is elke avond op de televisie.

     Ze overspoelen ons land, roept een witte politicus in een blauw pak.

     Ze zijn wanhopig, zeggen de hulpverleners.

     Het is een ramp, schrijven de journalisten. Ze vallen nu ook al uit de lucht.

    

Maar jij hebt gezien wat zij niet zagen. Je zag hem van dichtbij, zag de vleugels op zijn rug en hoe die langzaam verschrompelden.

 

Heb je het ook gezien? vraag je aan Kate.

     Stel je voor, zegt ze terwijl ze een kop thee voor je neerzet op een onderzetter. Ze heeft een tijdschrift gekocht en leest het aan je voor. Ze schrijven over jou, niet over de man die uit de lucht viel. Er staan berekeningen in. Er staat: hij heeft geluk gehad, hij had wel dood kunnen zijn. Een kwestie van seconden, van centimeters.

     Stel je voor, zegt ze. Ze kijkt naar jou en dan weer naar het tijdschrift.

     In de avond, vlak voordat de slaap haar lichaam zwaar maakt zegt ze het nog een keer. Stel. Je. Voor.

     Jij staart naar het plafond, naar het donker dat zich ophoopt in de hoeken van de kamer.

 

Sinds het gebeurd is, droom je met je ogen open. Je ligt op de tegels van het terras, kijkt naar boven. Een veer dwarrelt naar beneden, en dan nog één en nog één. Ze landen zacht op je, kriebelen in je neus, je nek, de binnenkant van je ellenbogen. Je probeert niet te bewegen, blijft liggen tot je helemaal bedekt bent. Tot alles wit ziet van de veren.

 

Je ziet ze plotseling overal: op de stoep, in de berm, op de pleinen en op straat, in de kleine steegjes van de binnenstad. Ze liggen tussen stapels vuil die de veegwagens naar de randen van de weg hebben geduwd: de platgetrapte patatbakjes, de sigarettenfilters, de afgekloven botjes. Je hebt ze eerder gezien, dat moet haast wel maar je hebt je nooit echt afgevraagd waar ze vandaan komen, die veren. Ze zijn niet wit als in je dromen. Ze zijn donkergrijs en groezelig. Vettig, verregend, afgeschud. Ze liggen tussen snoepverpakkingen en koffiebekerdeksels. Je pakt de veren tussen duim en wijsvinger, neemt ze mee naar huis, legt ze in lauwwarm water. Daarna leg je ze te drogen op een schone theedoek.

 

Het duurt even voordat je doorhebt wat er aan de hand is, maar dan zie je het.

 

Je ziet ze dralen door de straten. Ze slepen versleten plastic tassen met zich mee, sjouwen met stukken karton, leunen tegen de voet van betonnen wolkenkrabbers, liggen op oude klamme matrassen vol donkere kringen, op bankjes in het park, onder bruggen en fietstunnels waar de muren naar vocht en urine ruiken. Ze schuilen in portieken, tramremises en op busstations. Ze staan gebogen over prullenbakken, graaien tussen de afvalresten. Je ziet dat ze hun vleugels missen.

 

Ik weet het, wil je zeggen. Ik weet wat jullie zoeken.

 

Op het journaal zie je ze ook, met hun opgezwollen buiken, uitstekende ribbenkassen, smekende gezichten naar de camera gericht. Ze zitten verslagen tussen hopen puin, slaan vliegen bij hun uitgemergelde kinderen weg, staan in de rij voor water, eten, medicijnen. Zonder hun vleugels zijn ze weerloos.

     We moeten helpen, zeg je. Er moet echt iets gebeuren.

     Kate haalt haar schouders op, zet de televisie uit. Het is te veel, zegt ze. Ik kan er niet naar kijken.

 

Op het plein bij de supermarkt zie je de vrouw voor het eerst. Ze draagt een wollen muts ondanks de hitte die als een dikke deken over de stad ligt. Ze vraagt nergens om maar houdt haar hand naar je op. Vuile nagelriemen, droge huid vol smoezelige kloofjes. Er hangt een zure lucht rond haar. Je vraagt of ze hier vaker is. Ze knikt. Hoe heb je eerder door haar heen gekeken?

     Ik heb geen kleingeld, zeg je. Je hebt ook écht geen kleingeld, wie heeft er ooit nog kleingeld bij zich?

     Ze blijft je aankijken. Haar blik raakt je ergens onder in je buik.

     Sorry, stamel je. Sorry.

     Ze spuugt. De rochel landt op de stoep vlak voor je voeten, ligt daar naakt als een glibberig weekdier.         

     Ze draait zich om. Op haar rug zie je twee stompjes die zich aftekenen door de stof van de versleten trui.

     En je weet opeens wat je moet doen om haar te helpen.

     Nog even volhouden, fluister je, ik heb een plan.

 

Je hebt ze allemaal bewaard, ook de kleverige en de rafelige veren, de veren die geknakt zijn, de veren die niet schoon werden. Twee vuilniszakken vol met veren. Het is genoeg, denk je. Hiermee moet het lukken. Je weet alleen niet hoe je moet beginnen. Hoe maak je van losse veren vleugels?

    

Je googelt: afbeeldingen, patronen, filmpjes van Amerikaanse moeders die Halloween kostuums maken voor hun kinderen.

     Bij de bouwmarkt haal je ijzerdraad en kippengaas. In de naaiwinkel koop je kaasdoek, sterk garen, dikke kromme naalden.

     Je werkt ‘s nachts als Kate ligt te slapen. Het is niet makkelijk om het gaas in vorm te buigen, het doek te spannen, de juiste steken te op de juiste plaats te zetten. Het is niet makkelijk om de veren op hun plek te krijgen.

      

Elke ochtend loop je even naar de supermarkt. De vrouw dwaalt over het plein, draalt heen en weer voor de schuifdeuren die koele lucht uitblazen, wacht tot iemand haar wat geeft: geld, koffie, sigaretten, een beurse mandarijn. Wanneer ze je ziet grijnst ze samenzweerderig haar bruine tanden bloot, houdt haar hand op. Ook nu.

      Het is bijna zover, zeg je. Het duurt echt niet lang meer.

 

Dan is het af. Het is behoorlijk goed gelukt. Ze zijn wat zwaarder uitgevallen dan je had verwacht maar je moet ergens beginnen.

     Ik kan het aanpassen, denk je. Het kan altijd nog anders. Als het de eerste keer niet lukt dan kun je andere dingen uitproberen: kunststof, hout of visdraad. Vliegen moet je leren. Dit is een goed begin.

    

Het is gelukt, fluister je als je naast Kate in bed kruipt, haar warme slapende lijf vastpakt. Morgen is het zover. Het donker lijkt niet meer zo donker. Eindelijk droom je weer met je ogen dicht: over vallen. Over hoe het is om los te laten.

 

Kom mee, zeg je wanneer de vrouw haar hand uitsteekt. Ik heb iets voor je.

     Je pakt haar vast. Ze stribbelt tegen.

     Vertrouw me, zeg je, we gaan iets moois proberen.       

     Ze maakt haar lichaam zwaar. Je trekt en sjort aan haar arm. Ze gromt, laat haar gele tanden aan je zien. Dit gaat zo niet.

     Twintig euro, zeg je. Doe je het voor twintig euro? Dan staakt ze haar verzet en laat zich meevoeren. Ze zal het je vergeven als ze ziet wat je voor haar hebt gemaakt, hoe hard je voor haar hebt gewerkt. Je verheugt je op die samenzweerderige blik die jullie in de afgelopen weken zo zorgvuldig hebben opgebouwd, die ze je vast zal geven zodra je haar haar vleugels geeft.

 

Onwennig staat ze in de woonkamer. Haar aangetaste lijf, de wollen muts, het ruwe van haar huid steekt vreemd af tegen het moderne meubilair: het crème-wit van de bank, het gladde oppervlak van de salontafel.

     Kate kijkt jullie vragend aan. In haar nek verschijnen rode vlekken.    

     Wacht hier, zeg je, en rent naar boven.

 

Voordat je de vleugels oppakt strijk je ze zorgvuldig glad, buigt ze nog één keer goed in vorm.

    

Als je de trap afloopt ruisen de veren, alsof ze al weten dat ze snel weer zullen vliegen. Bij iedere stap stel je je voor hoe het zal zijn als je beneden komt.

    

Je stelt je voor hoe ze daar zitten op de bank. Zíj een glas huisgemaakte limonade in haar verweerde handen, de ijsblokjes die kraken in de kan die Kate nog vasthoudt. Jouw Kate: altijd netjes, altijd hoffelijk. Lieve Kate, zal je zeggen. Ik wil dat je erbij bent, ik wil dit met je delen.

     Je stelt je voor hoe ze lachend hun gezichten naar de trap toe wenden als zonnebloemen naar de zon, hoe ze zullen blijven kijken in de richting van jouw ritselende voetstappen.

     Ik zie het nu, zullen ze zeggen als ze je vleugels zien. Ik zie nu wat er moet gebeuren.

© 2020 Leonieke Baerwaldt