vijftien

Ik was vijftien en kreeg de ziekte van pfeiffer. Ik had de avond daarvoor met twee verschillende jongens gezoend. Eén in de Bleu Rabbit waar de hitte alles vertraagde en het naar vers zweet rook en de ander tegen de hekken van de bouwplaats achter het uitgaansgebied. Ik herinner me geen kou, alleen afwezigheid van hitte.

     Er zijn twee typen pfeiffer. Ik had ze allebei. De dokter stond voor een raadsel. Ik wist hoe het kwam.

 

Mijn moeder bracht me maandenlang eten en drinken op bed. Ik kon amper op mijn benen staan, kon mezelf niet eens douchen.

 

Ik luisterde naar het album Californication van The Red Hot Chilli Peppers op repeat en dacht ik aan Anthonie Kiedis, had het gevoel dat ik hem begreep maar was te moe om te masturberen.

 

Van de klas kreeg ik een grote kaart met daarop een beer. Op de buik van de beer stond: beterschap. Iedereen had zijn naam op de kaart geschreven. Ik had een hekel aan bijna al mijn klasgenoten.

 

Van een vriendin die ik nog kende van de basisschool en met wie het niet zo goed meer liep sinds ze naar een andere middelbare was gegaan kreeg ik een lange brief. Ze was erbij, die avond in de Bleu Rabbit. In de brief stond dat ze geen zin had om vriendinnen te zijn met een afgelikte boterham. En nog wat meer. Het waren vier kantjes, de rest is niet blijven hangen.

     Ik verscheurde de brief en stopte hem terug in de enveloppe: retour afzender, schreef ik. Daarna moest ik twee dagen uitrusten.

 

Een van de namen die op de kaart stonden was Dirk. Een jongen waar ik al meer dan een jaar verliefd op was. Zes maanden later; de eerste keer dat ik de stad in ging sinds mijn ziekte, kregen we verkering. Het was carnaval. Zijn jas leek op een zwarte slaapzak. Er stonden twee enorme letters H op. Hij droeg een witte zijden overhemd en zijn haar was cookiemonsterblauw. Ik had een heel kort rokje aan en glitters op mijn benen. Dat het vroor kon me geen bal schelen.

 

Mijn moeder vond het niet erg dat ik rokjes droeg. ‘Laat zien wat je hebt,’ zei ze. ‘Je bent jong, je hebt mooie benen.’ Haar vriendinnen waren het met haar eens. Er zaten altijd vriendinnen aan de keukentafel. 'Als je maar jezelf bent,' zeiden ze.

‚Äč

Mijn vader vond ook niet zoveel van mijn rokjes. ‘Ik heb mijn handen ervan af getrokken,’ zei hij als het over mij ging. ‘Het is niet meer mijn project.’

 

Mijn vader zat meestal in Frankrijk. Daar had hij zijn nieuwe project: een overwoekerd stuk land met vleermuisrijke ruïne waar hij een biologisch dynamische moestuin wilde aanleggen met een groep mensen die dat ook wilden. Hij maaide de hele dag struiken met een bosmaaier, zijn huid bezaaid met kleine groene stipjes en hij rook naar chlorofyl. Mijn vader woonde in een caravan, waste zijn haar onder een kleine waterval en poepte in een zelf gegraven gat waar stro in lag. Hij stookte vuurtjes en rookte joints. Hij had daar een leven opgebouwd. Wij gingen er op vakantie.

     ‘Als hij niet naar ons komt dan gaan wij wel naar hem toe,’ herhaalde mijn moeder iedere zomer, grimmig, dertienhonderd kilometer achter het sidderende stuur van onze Renault Clio.

    

Dirk heeft me ontmaagd. Niet met zijn piemel, maar met zijn handen. Het gebeurde thuis in het donker op de bank nadat we terugkwamen van het uitgaan. Mama lag al te slapen. Ze vertrouwde me volledig. Dirk stak zijn vingers bij me naar binnen en likte wat. Daarna trok ik hem af tot hij klaarkwam. Toen we later in de badkamer het licht aandeden zag ik dat zijn hele gezicht onder het bloed zat. Ik deed het licht weer uit, kuste het bloed van zijn gezicht en vertelde hem niets. Ik dacht toen nog dat je sommige dingen beter niet kunt zeggen.

© 2019 Leonieke Baerwaldt