Onder water is het stil

Gepubliceerd in Kluger Hans #36 

Mama maakt je wakker. Voorzichtig raak je haar bijna aan. Bijna, maar net niet  – je hand vlakbij haar wang.

     ‘Het was een droom,’ zeg je.

     Vis zit te gniffelen op het voeteneind van je bed, zijn rugvin uitgeklapt als een waaier.

     Mama gebaart dat je mee moet komen. Je stapt snel in je schoenen, loopt achter haar aan de trap af, door de winkel naar buiten. De kou bijt zich vast in je vel, dringt dwars door de dunne stof van je pyjama.

   ‘We gaan naar zee,’ zegt ze. Haar ogen fonkelen. Vis flappert uitgelaten met zijn vinnen. Het gaat eindelijk gebeuren.

 

***

 

De eerste keer dat je in Aquariumspeciaalzaak Het Waterjuweel was, nam Alex mama mee de trap op. De treden kraakten onder het gewicht van hun gretige stappen. Je bleef alleen achter. In het blauwe schijnsel van de aquaria tuurde je naar de vissen tot je ogen er pijn van deden. Hun stille schoonheid, de felle kleuren die veranderden wanneer vloeibaar licht hun schubben raakte, hun vinnen haast doorzichtig, het netwerk van nerven als een kwetsbaar herfstblad. Ze leken te dansen met hun omgeving, met de wieren en de koralen, met elkaar. Je zag iets moois gebeuren. Je zag dat vissen samenleven zonder elkaar aan te raken.

 

***

 

Er is één aquarium zonder vissen, het is gevuld met levend steen: brokken microkosmos die nog niet zijn uitgekomen. Met de vingers tast je langs de ruwe randen van het gesteente, besluiteloos welke je bij de nieuwste lading driebands-anemoonvissen gaat leggen. Het kale water waar ze nu in zwemmen moet een leefomgeving worden. Hiermee geef je ze een universum. Het maakt je zenuwachtig om voor hen de wereld te bepalen.

     ‘Pak toch gewoon een haffeltje, jong,’ zegt Alex. Hij krast met zijn veel te lange nagels over zijn onderarm, krrrsh, krrrsh. Het geluid maakt je misselijk.

     Hij vindt dat je treuzelt, daar kan hij slecht tegen. Maar je wil het goed doen. Je wil al die werelden op de juiste plek laten uitkomen, op het juiste moment. Vissen hebben zo hun voorkeur, denk je. In tegenstelling tot mensen, die meestal niet goed weten wat ze willen.     

   ‘Het is altijd maar een gok,’ zegt Alex. Hij heeft ongelijk. Als je heel goed kijkt, kun je de dingen zien die op de stenen leven. Roze kalkroodalgen, groene microalgen, kokerwormen, kleine koralen, je ziet ze groeien. Ze spreiden hun onvolgroeide tentakels naar je uit, laten hun kleuren zien. Als je weet hoe je moet kijken is niks toevallig.

 

***

 

Mama en Alex maken boven ruzie terwijl jij beneden in de winkel huiswerk zit te maken.  Door het plafond hoor je de lage stem van Alex, de gedempte stem van mama. Je hoort stoelen schuiven, zware voetstappen, een vallend voorwerp, het klepperen van de keukenkastjes, waterleidingen die suizen. Iets tikt dof door de afvoer.

      Mensen maken geluiden zonder dat ze er veel mee bedoelen. Dat irriteert je, dat overbodige lawaai, het gebrek aan doelmatigheid. Vissen doen dat niet, die zijn niet onbeholpen. Zij kennen hun richting. Zelfs in grote aantallen lijken ze moeiteloos om elkaar te zweven, dartelen ze geruisloos rond wieren, laten elkaar met rust. Behalve als het om leven of om dood gaat. Dan doen ze wat ze moeten doen.

     Er breekt een bord. Alex gooit met dingen als hij boos is. Mama begint te huilen.

     Onder water is het stil, denk je. Je hunkert naar die stilte. Vis ook, hij zit in de hoek van de winkel geïrriteerd heen en weer te wiegen. Zijn staart klapt af en toe omhoog, wanneer hij schrikt van de geluiden boven.

     ‘Het is niet erg,’ fluister je. ‘Het zijn maar mensen.’

 

***

 

Er was het moment dat je besefte dat je nooit een mensenlichaam hebt gehad. Dat je oren niet geschikt zijn voor de geluiden om je heen, dat je huid niets snapt van aanraking.

     Er was die tinteling die langs je ruggengraat omhoog borrelde als zuurstof in een watertank.

Je was alleen in de winkel en plantte een tapijt van waterplantjes, testte het water met je tong, proefde of het zout of zoet genoeg was. Dwergkeizers, koningsgramma’s, blauwe doktersvissen en gele lipvissen hingen zo rustig tegen het glas dat je er een brok van in je keel kreeg. Ze waren aan je gewend geraakt.

     Er was dat gevoel dat je probeerde weg te slikken, te verdringen naar een afgelegen plek. Maar het zakte naar je onderbuik, tolde, kolkte, kon geen seconde langer wachten. Het voelde als een ziekte, een genotvolle, verslavende ziekte.

     Er was verlangen dat te groot werd. Wat eerst nog sluimerde, nam je nu volledig over.

 

***

    

En daar was Vis. Toen je hem voor het eerst zag schrok je, maar ook hij keek angstig en dat stelde je gerust. Er zat nog wier tussen zijn vinnen, er lag water op de vloer. Hij leek zomaar uit zijn natuurlijke omgeving gerukt en bij jou terechtgekomen. Jij had hem hiernaartoe gedacht.

 

***

    

Je weet wat de bedoeling is: hij gaat je helpen vis te worden, jij moet hem helpen vis te blijven. Je dept hem af met natte doeken en probeert aan hem te denken wanneer je onder de douche staat of langs een sloot loopt. Zodat hij op het juiste moment verschijnt. Voortaan blijf je in de buurt van waar het nat is. In de winkel is het makkelijk, buiten is het moeilijker. Als je naar school gaat neem je de route langs het kanaal. Spelen doe je in het park dicht bij de vijver.

     Hij klaagt niet, al zou hij gelukkiger zijn met nog meer vocht. Het kalme, zoete, water zint hem niet. Je ziet wel waarom, hij heeft het majestueuze van een zeedier. Daarom heb je een plan bedacht: jullie moeten naar de kust.

 

***

 

Mama geeft kleurpotloden en een tekenblok.

     ‘Voor je vissen,’ zegt ze. Er zitten zwarte vegen onder haar ogen.

     ‘Wat zeg je dan?’ vraagt Alex. Je weet dat hij blijft wachten op het antwoord.

     ‘Dank je wel,’ mompel je, het voelt alsof je iets verloren hebt.

     Alex gaat naar zijn kantoortje. Je ziet strepen van wat zich daar afspeelt door de kieren van de Luxaflex. Ook hij leeft in een aquarium, denk je. Terwijl je hem ziet telefoneren, zijn nagels tikkend tegen het bureaublad, kriebelt het tussen je wervels. Je moet denken aan de Siamese kempvis; zijn lange, vlassige vinnen, zijn felle kleuren. Je probeert er een te tekenen, rood als bloed.

     Eerst de omtrek van de vis. De spitse vissenmond, de onderkaken die vooruit staan, de vechtersbek, het smalle lijf. Het oog vind je het moeilijkst. De vinnen doe je als laatste. Hoe dichter tegen het lichaam, hoe donkerder. Sluiervinnen, beginnend met de kleine zijvinnen. De buikvin, rugvin en de enorme staartvin laat je uitwaaieren tot aan de randjes van de pagina. Je moet je best doen om kleur uit de nieuwe potloden te krijgen zonder dat je door het papier heen drukt.

     Vis zit stilletjes voor zich uit te staren. Misschien droomt hij over zee en stugge wieren, over vlaktes vol koraal. Hij zal wel last hebben van uitdroging. Je laat hem de tekening zien.

     ‘Het is een kempvis,’ zeg je. Je kijkt weer naar Alex in zijn aquarium. ‘Als je er twee bij elkaar zet, vechten ze net zolang tot de ander dood is.’

     Vis ontbloot zijn tanden. Hij houdt niet van zoetwaterdieren.

 

***

 

‘Zullen we naar zee?’ vraag je aan mama. Je praat zacht, al hoeft dat niet. Jullie liggen samen in bed, het laatste restje dag kiert door de gordijnen, stofdeeltjes dwarrelen door doffe banen licht. Haar gezicht is heel dichtbij.

     ‘Het sneeuwt,’ zegt ze. ‘Het is nu veel te koud.’ Haar warme vochtige adem, het kriebelen van haar haren. Toch zit er ruimte tussen jullie.

     ‘We zijn net vissen,’ zeg je.

     Mama lacht.

 

***

    

Je wordt wakker in het donker. Een sleutel schurend tegen het voordeurslot, zoekt zijn weg, ijzer dringt in ijzer. Klak, klak.

     ‘Je moet nu weg,’ zegt mama met de slaap nog in haar stem. Als je niet snel genoeg bent, trekt Alex je bij haar vandaan alsof je een vieze oude pleister bent. Je kunt niet blijven plakken.

     Door de koude nacht sluip je zo snel mogelijk naar je eigen bed. Je kruipt tussen de harde lakens, beschermt je oren met een kussen tegen de geluiden die gaan komen.

 

***

 

‘Zullen we naar zee?’ vraag je weer. De sfeer aan de ontbijttafel is grimmig. Mama’s gezicht is opgezwollen. Haar ogen rood en uitgedroogd. Alex rookt zelfgedraaide sigaretten, krast met die afschuwelijke nagels over zijn arm. Krrrsh, krrrsh.

     Je weet dat het tevergeefs is, maar je moet het toch proberen, voor Vis die tegen het aanrecht leunt en zich ongemakkelijk een houding probeert te geven. Hij ziet er dorstig uit. Hij mist zijn habitat.

     Je pakt je glas met water en gooit het over hem heen. Hij kijkt je dankbaar aan, smakt met zijn dikke vissenlippen.

     Mama staart naar het lege glas in je hand. Alex schuift zijn stoel hard weg zodat die omvalt.

     ‘Wat doen jullie hier eigenlijk!’ roept hij. ‘Ga als de sodemieter opruimen. Die jongen van jou is helemaal gestoord!’

 

***

 

‘Zullen we naar zee?’ vraag je als je uit school komt. Mama’s handen trillen terwijl ze thee inschenkt. Van de natuurkundeleraar heb je geleerd dat metaal soms moe kan worden. Dat het zomaar breekt. Je vraagt je af of dat met mensen ook zo is.

 

***

 

Je loopt de winkel in. Er is een nieuwe kempvis bijgekomen. Het kietelt in je buik als je aan de vleugelige vinnen denkt. Alex wenkt je vanuit zijn kantoor. Als je in de deurpost staat, zegt hij kortaf: ‘Ik wil dat je wegblijft bij mijn vissen.’

 

***

 

Water streelt langs je uitgerekte lijf, aan je vinnen voelt het anders dan bij je schubben, waar het klotsend tegenaan plenst. De stroming geeft je kleine duwtjes. Vol verwondering kijk je naar een cluster belletjes die bubbelend langs het glas hun weg naar boven zoeken. De dunne sluiers die je met je meetrekt, zo doorzichtig dat je niet voelt waar jij eindigt en waar de rest van het aquarium begint. Er is geen weerstand. Je zweeft. Jij en het water vloeien samen.

     Dan zie je je rivaal.

     Je weet wat je moet doen, om heel te blijven, om jezelf en mama te beschermen. Je doet het zonder vrees, scheurt het vissenvlees aan flarden, de zilte geur van bloed dat zich met het water mengt en hoe je tanden voelen na die eerste beet, het knarsen van zijn schubben. Hij maakt geen schijn van kans. Het gaat om leven of om dood, daartussen zit geen ruimte voor genade. Wat nu gebeurt is onvermijdelijk.

 

***

 

‘Het was een droom,’ zeg je. 

     Als je de trap afloopt en door de winkel gaat, durf je niet naar het kantoor te kijken.

     ‘We gaan naar zee,’ zegt mama, terwijl ze de autodeur hoffelijk voor je openhoudt. ‘Jij mag voorin.’ 

     De rit duurt lang. In de achteruitkijkspiegel zie je Vis. Hij ziet er dorstig en verfomfaaid uit, zijn schubben kreukelen. Als we maar op tijd zijn, denk je. Als hij maar niet uitdroogt.

      

    

***

 

Op het strand ligt sneeuw. De kale vlakte licht op tegen een donkere hemel. Duinen, duister en behaard met plukken helmgras, houden zich in bij de strandgrens. Een smalle, zilvergrijze streep aan de horizon verraadt de naderende dag. Alleen hier kun je zien dat de aarde rond is, dat je constant in beweging bent. Je vraagt je af of de wereld ook moe kan worden, net als metaal, net als mama. 

     Je loopt over een maagdelijk witte deken. Daaronder de gruzelementen die de zee heeft uitgespuwd. De uitgewoonde schelpen, de flinterdunne scheermessen. Het knerpt bij iedere stap. Krrrsh, krrrsh. Je denkt aan duizenden veel te lange nagels en hoe die versplinteren onder jouw gewicht.

     Vis speelt uitgelaten in de beukende branding, duikt in de golven. Mist stuift op uit zijn spuitgat.

     Mama staat vlak achter je, raakt je bijna aan. Bijna, maar net niet.

     ‘Net als vissen,’ zegt ze zacht.

     Je trapt je schoenen uit. Loopt naar de waterlinie.

     ‘We moeten nog een stukje verder,’ zegt mama klappertandend. ‘Het duurt nu echt niet lang meer.’

     Het water trekt en duwt, likt aan je tenen, weekt je pyjama los zodat het voelt alsof je vinnen hebt.

     Vis zwemt met je mee, grijnst tevreden, maakt grote slagen met zijn staart. Je vindt het fijn om naar hem te kijken, zijn krachtige lijf, de pulserende kieuwen.

     Je kijkt achterom. Mama staat tot aan haar knieën in het water. Ze zwaait. Je twijfelt even, maar je weet dat het over gaat zodra je schubben krijgt.

     Het enige dat je hoeft te doen is dieper gaan, steeds dieper. En je duikt.

© 2019 Leonieke Baerwaldt