het reuzenrad

De spaken van het reuzenrad verdwijnen langzaam. Er blijft een cirkel over, met bakjes die aan de cirkel bevestigd zitten. In die bakjes zitten mensen. Ze vragen zich af of een rad zonder spaken nog steeds een rad is, en of spaken zomaar kunnen verdwijnen. Ze vragen zich af of ze nu bang moeten worden, want als de spaken zomaar verdwijnen, wat kan er dan allemaal nog meer gebeuren?

     Wat moet mijn man vanavond eten als ik zomaar opeens verdwijn, vraagt de vrouw in bloemetjesjurk zich af. Ze vraagt zich ook af wanneer hij het door zou hebben, dat ze verdwenen is.

     Waar zou ik heen verdwijnen? Denkt de jongen van vijftien. Hij heeft nog nooit zo'n diepzinnige gedachte gehad.

     Ik heb mijn kat geen eten gegeven. De oude man schrikt van deze gedachte. Hij schrikt ook van het feit dat het al zo laat is in zijn leven. De laatste jaren gingen snel. Ik had meer moeten genieten, denkt hij. Alleen door te genieten wordt de tijd rekbaar.

     Hij denkt aan de mensen die in zijn leven waren.

     Hij denkt aan de mensen die in de bakjes bungelen.

     Hij bedenkt zich dat hij helemaal geen kattenmens is.

     En dan opeens denkt hij helemaal niets meer.

     'Die oude man is zomaar verdwenen!' roept de vrouw in de bloemetjesjurk.

     'Ik zag het ook gebeuren!' zegt de jongen van vijftien, die nog denkt dat bevestiging het belangrijkste in de wereld is.

     De jongen en de vrouw voelen zich plotseling heel erg alleen en een beetje belachelijk, zo hangend in het bakje dat aan de cirkel bevestigd is. De cirkel begint trouwens ook al te vervagen.

     'Halloooo!' Schreeuwt de jongen door het raampje van het bakje, dat eigenlijk geen echt raampje is. Hij en de vrouw wachten heel lang op antwoord.

     De stilte wordt steeds dikker terwijl de avond met grote snelheid valt.

 

Urenlang zitten ze daar, maar misschien zijn het geen uren, misschien zijn het dagen of maanden of jaren, of misschien is het maar een seconde.

 

     De jongen denkt aan iets dat met muziek te maken heeft en de vrouw denkt aan aardappeltjes met gesmolten boter en zeezout, en aan waarom boontjes minder groen worden als je ze lang kookt.

     De jongen begint te neuriën met zijn ogen dicht. Wanneer hij opkijkt is de vrouw verdwenen. Heel even denkt hij aan haar bloemetjesjurk.

     Hij kijkt uit het raam of het nog nacht is. Het is moeilijk na te gaan omdat het donker een andere kleur heeft gekregen en de stilte draderig is geworden. Daar is moeilijk doorheen te kijken.

     'Hallooo!' het geluid komt van ver. De jongen vraagt zich af of hij het wel echt gehoord heeft. Hij staat op en gaat zo ver als hij kan uit het raampje hangen, dat nu zeker geen raampje meer is, maar wat het dan wel is kan hij ook niet goed plaatsen. Een soort dier misschien? Of een portaal? Nu heeft het weer wat weg van een koelkast.

     'Hallooo!' schreeuwt hij zo hard als hij kan. 'We zijn aan het verdwijnen!'       

     Hij krijgt het koud. Kouder dan dat hij het ooit gehad heeft. Het begint bij zijn voeten en trekt langzaam op door zijn benen. Ik heb nog nooit seks gehad, denkt de jongen. De kou is al bij zijn middel aangekomen.

     'Hallooo! hoort hij weer. Hij beseft dat het zijn eigen stem is.

     De ander dat ben ik, denkt hij verbaasd, niet wetende dat ook dit een diepzinnige gedachte is. Hij voelt de kou langs zijn borst kruipen, langs zijn kaak naar zijn kin. Zijn lippen bevriezen, het puntje van zijn neus ook. Net voordat de kou zijn oren bereikt hoort hij weer zijn eigen stem vanuit de verte. 'Wij zijn aan het verdwijnen!'

            

© 2019 Leonieke Baerwaldt