Waterpeil

 

Het licht hangt laag in de straten,

buiten zijn de bomen geschubd

en klaar om weg te zwemmen

zodra het water begint te stijgen.

Wij blijven binnen in mijn kamer.

 

Alles doordrongen

van een koortsachtig blauw.

Jouw mond vormt een O

die door de ruimte zweeft.

We volgen hem met onze blik

tot hij tegen het plafond stukslaat.

 

Je rommelt door mijn keukenkastjes,

lepelt pindakaas uit de pot,

drinkt drie glazen water.

‘Ik moet wel,’ zeg je. ‘Ik heb vliesvoeten.’

 

Kwaad loop je heen en weer,

trekt boeken uit de kast,

vraagt: ‘Is het somt te laat

om uit te vinden

wat een gedicht nu eigenlijk is?’

 

We schrijven samen

 

woorden in het stof

dat op de vloer is neergedaald,

likken onze vingers schoon.

Het stof trekt aan onze tongen,

die troost zoeken,

die we zacht tegen elkaar leggen

als twee slapende kinderen.

 

De geur van rotte bladeren

in je ongewassen haren.

Onze warme, vochtige adem.

Je zegt: ‘Het kriebelt

tussen mijn wervels.’

En ik, doe het geluid

van de regen na

tot je in slaap valt.

© 2020 Leonieke Baerwaldt