de huizenprinter

‚Äč

Er is een man. Er is een robot. Er is een plan.

    

Hij heeft iets gestudeerd, iets theoretisch. Over denkers en dromers. Daarna heeft hij gewerkt. Jarenlang verplaatste hij lijsten met informatie van het ene naar het andere systeem. En na verloop van tijd gebeurde het vanzelf: begon ook hij te dromen.

 

De robot heeft hij van de veiling. Ze is afgedankt door een autofabrikant, past niet meer bij de productielijn. Er zitten krassen op haar harnas. Hij weet meteen dat zij de juiste is. Hij geeft haar een naam, zijn ridder: Ro.

    

‘Wat ga je doen dan, met die robot?’ vragen de mensen. Er zijn altijd mensen, altijd en overal mensen, die denken dat het een hobby is. Die denken dat je het leven gewoon moet uitleven als een kaars die opbrandt.

     ‘Een huis printen,’ is het enige, norse antwoord dat hij standaard geeft. ‘Ik ga een huis printen.’

    

Hij weet dat het kan. Dat het technisch mogelijk is. De berekeningen zijn gedaan, de contacten zijn gelegd. Hij heeft een architect gesproken, een elektricien, een bouwbedrijf. Ze zeggen allemaal dat het haalbaar is, in de toekomst. Hij is die toekomst. Hij voelt het tot in de stalen neuzen van zijn veiligheidsschoenen.

 

‘Ga je er ook in wonen?’ vragen de mensen. Hij vindt dat ze domme vragen stellen. Ze snappen niet dat hij geschiedenis staat te maken. Dat zijn handen ruw zijn als schuurpapier, het cement hem aanvreet, zijn huid weerhaakjes geeft. Dat hij straks tegen zijn eigen gebouwen op kan klimmen als Spiderman. Hij gaat er eigenhandig voor zorgen dat er in het vooruitzicht geen huis meer is zoals we huizen kennen, geen skyline meer dezelfde is.

 

Iedere avond komt hij laat thuis van een baan die hij zegt nog te hebben.

     ‘Ik was ook nog even bij de robot,’ roept hij bij binnenkomst de woonkamer in. Leugens moet je beperken. Zijn vrouw denkt dat het wel overwaait. Zoals dit soort dingen meestal overwaaien. Ook zij denkt dat het een hobby is. Ze heeft geduld. Ze heeft eten voor hem bewaard.

      

’s Nachts drinkt hij vijf glazen water. En dan nog een. Het cement lijkt hem volledig uit te drogen.

     ‘Ik ga een huis voor je printen,’ fluistert hij zijn vrouw in het oor, tijdens de daad als hij bij haar naar binnen glijdt. Hij fluistert zacht, zo zacht dat ze denkt dat hij iets anders fluistert.

    

Hij droomt over Ro. Hoe hij haar het beste kan bedienen. Hoe hij met haar de wereld gaat veranderen. En hij denkt na over systemen. Dat het makkelijk is, dat iedere idioot het kan, informatie van het ene systeem naar het andere verplaatsen. Hij heeft het jaren gedaan dus hij kan het weten. Waarom lijkt het nu niet te lukken? Een simpele gedachte: huis naar robot, robot naar huis. Maar hoe dan?

     ‘De hemel bestormen doe je in stapjes,’ zegt zijn vrouw als hij in het donker ligt te woelen. ‘Je moet ten slotte ook nog slapen.’

 

In de ochtend stapt hij onder de douche, stelt zich voor dat hij het water opneemt als een spons. Net als zijn cement, totdat het verzadigd is. Daarna smeert hij vier boterhammen met pindakaas en drinkt een kop koffie.

     ‘Werk ze,’ zegt zijn vrouw, als hij voor de vorm zijn aktetas pakt. Ze is nog automatischer dan zijn robot.

 

Hij wil het haar vertellen. Zijn vrouw. Hij wil haar alles vertellen. Maar pas later, als hij zijn successen heeft geboekt, als hij gevestigd is. Als de mensen voor hem klappen. Dan zal zijn vrouw lachen. ‘Ach, schat!’ zal ze zeggen. ‘Dat had je toch niet hoeven verzwijgen?’ 

     Ze zal over zijn haren strijken, langs de grijzende slapen, in zijn wang knijpen. ‘Je weet toch dat ik je steun,’ zal ze zeggen, ‘dat ik je altijd steun.’

     Hij wil haar de schaamte van het mis-hebben besparen.

 

‘Goedemorgen, Ro,’ zegt hij op zachte toon als hij de werkplaats binnenkomt. Wanneer hij haar aanzet lijkt het alsof ze begint te ademen. Ze rekt zich langzaam uit. ‘We hebben nog veel te doen.’

 

Oefenen, totdat hij weet hoe het moet. Er is niemand van wie hij het kan leren. De techniek bestaat nog niet. Hij laat Ro tekenen in de leegte, zonder toevoer van cement. Eindeloos tekent ze luchtfiguren.

 

Het echte werk zit hem in het mengsel. De samenstelling van het cement moet vloeibaar genoeg zijn om door de slang gepompt te kunnen worden en droog genoeg om daarna zo snel mogelijk op te drogen. Als hij de kleiachtige substantie aan het mengen is, de pap door zijn vingers heen knijpt, denkt hij aan God. Dat God de mens uit klei schiep. Dit is beter, wat hij nu doet.

    

Wanneer hij het grijze goud heeft aangemaakt en in de pomp heeft gestopt, voorzichtig zodat er geen lucht bijkomt, zodat zijn robot kan tekenen in mooie vloeiende lijnen, zijn huis kan tekenen zonder dat het spettert, moet hij snel handelen. Cement droogt uit. En hoe meer het uitdroogt, hoe meer schade het aanricht: aan zijn robot, aan zijn pomp, aan zijn hoopvolle ideeën. Hij werkt tegen de klok in. Hij heeft nog nooit zo hard gewerkt.

 

Dan tekent Ro de hoogte in, één laag, twee lagen, drie lagen. Zijn eigen klaagmuur. Bij zeven lagen valt het meestal in elkaar.

 

Daarna poetst hij. Iedere schepper moet opruimen. Hij borstelt en schraapt en wrijft. Met staalsponzen, wc-borstels, plamuurmesjes en pannenlappen tot alles er weer glimmend en zacht uitziet. Tot er geen cement meer te bekennen is. Zijn werkplaats blinkt. Ro blinkt. Zo ziet hij haar het liefst, moe maar voldaan. In zijn maag trekt iets samen als hij bedenkt dat hij haar hier moet achterlaten. Hij drenkt zijn handen in olie. Zijn ruwe, uitgedroogde handen. Hij schudt fijnstof uit zijn haar en kleedt zich om. Trekt zijn overall uit. Trekt zijn pak aan. Pakt zijn aktetas.

 

Soms neemt hij een hijs van een joint om het malen te stoppen. Wolken trekken over het cement in zijn kop. De onrust verdwijnt. Even kan hij loslaten.

     Altijd maar één hijs. Dat is genoeg.

 

Hij zet Ro in de ruststand. Neemt afscheid. ‘Welterusten, Ro. Slaap zacht. Morgen is alles anders.’

     Onderweg naar huis lacht hij de stad uit.

© 2019 Leonieke Baerwaldt