Bloot

Voor de crowdfundingsactie van de J.M.A Biesheuvelprijs 2019

‚Äč

De afstand tussen mij en vader is klein. Drie meter misschien. Toch is hij eindeloos ver weg. Dat komt door hoe hij daar ligt, ontdaan van alles op die kale tafel. Het komt ook doordat hij dood is.

     ‘Ik laat u met rust,’ zegt de begrafenisondernemer, ‘u wilt vast even alleen met hem zijn.’

 

Ik heb vader nog nooit zo bloot gezien. Een keer eerder zag ik zijn piemel. Het was in de badkamer. Ik was zes jaar. Hij stond zich te scheren.

     Hij draaide zich naar me toe en vroeg of ik ook wat scheerschuim wilde. Met de kwast veegde hij een dot op mijn neus.

     Het enige waar ik naar kon kijken was die blote piemel die heen en weer deinde, die niet bij zijn lichaam leek te horen.

     ‘Dat is mijn piemel,’ zei vader toen hij zag dat ik keek.

     Hij knoopte zijn handdoek om.

     Ik hoopte dat ik zoiets nooit meer hoefde te zien.

 

 Drie meter te overbruggen.

     ‘Probeer het maar,’ hoor ik vader zeggen, in verschillende fases van mijn leven.

     Ik zet een stap.

     De bittere smaak van witlof.

     Ik zet nog een stap.

     In de eerste versnelling met wind tegen.

     Stap.

     Wiskunde.

     Stap.

     De gebroeders Karamazov.

     Stap.

     Doorgaan, ook als alles om je heen gegarandeerd instort.

     Stap.

     Vader die daar op zijn kwetsbaarst ligt maar onkwetsbaar is geworden. Het litteken op zijn borst slordig dichtgenaaid. Hij is toch al dood.

 

Ik sta naast hem, ruik de zoete lucht van ontbinding. Maar ook de vertrouwde geuren. Vaders shampoo, zijn aftershave, zijn zweet. Ik kijk naar die piemel die ik nooit meer wilde zien.

 

De eerste keer dat ik een piemel in mijn mond nam ging ik haast over mijn nek. Het was in een rode auto. Het was voor het huis van mijn ouders. Het was laat. Ik herinner me dat ik moe was, dat ik eigenlijk wilde slapen. De man in kwestie ritste zijn gulp open en bood me zijn geslacht aan. Het rook naar haring. Ik had liever witlof. Maar ik wist dat als ik het niet deed, de avond nog veel langer zou duren.

 

Er is nog meer heel bloot aan vader. Zijn verkalkte teennagels bijvoorbeeld. Die verborg hij altijd, die zaten verstopt in dikke wollen sokken. Ook in de zomer, ook in zijn sandalen. Ik bekijk ze van dichtbij. Ik snuif nog een vleugje zurige lucht op, de lucht die zijn sokken daar hebben achtergelaten.

     Vaders neus steekt scherp de hoogte in. Zijn haar zit warrig tegen zijn schedel geplakt. Ik kam het door met mijn vingers. Ik schrik van de koelte van zijn huid. Het wassen gevoel. Alsof hij een pop geworden is.

 

Vaders knieschijven lijken opeens vreemde dingen die niet meer bij zijn lichaam horen. Ze liggen los onder de dunne, bleke huid en steken ver boven de rest van zijn benen uit, als heuvels in een buitenaards landschap. Zijn buik is ingevallen. Ze hebben zijn borstkast geschoren, rondom het litteken. De haartjes die over zijn gebleven kunnen zich geen houding geven. Ze lijken misplaatst, terwijl het de wond is die er niet hoort. Er is een vleeskleurige klem onder zijn kin geplaatst. Ik kijk naar het vuil onder zijn nagelriemen, de kloofjes bij zijn knokkels, ik denk aan de uierzalf. Altijd die uierzalf. En hoe mijn boterhammen daar vroeger naar smaakten. Heel even lijkt het alsof hij mijn hand wil pakken. Heel even is hij troostend dichtbij.

 

Ze hebben zijn trouwring afgedaan. Daardoor lijkt ook zijn ringvinger bloot.

     ‘Waar is zijn trouwring,’ vraag ik aan de begrafenisondernemer die weer binnenkomt.

     ‘Die zit in een zakje,’ zegt hij.

     ‘O,’ zeg ik, ‘plastic?’

     ‘Van het ziekenhuis.’

     ‘O,’ zeg ik nogmaals.

     ‘Zal ik hem even voor u gaan halen?’ vraagt hij, alsof het om een croissantje gaat.

     ‘Wat heeft u eigenlijk gedaan,’ vraag ik, ‘om begrafenisondernemer te worden?’

     ‘U bedoelt mijn studie?’ 

     ‘Ja,’ zeg ik, ‘wat heb je gestudeerd.’

     ‘Kunstacademie.’

     ‘Ah.’

     Ik zie hem voor me, als jonge kunstenaar die nog niet weet dat hij een begrafenisondernemer is: iemand die het schone ziet in de lelijke dingen.

    

We staan nog een tijdje te kijken, de begrafenisondernemer en ik. Dat vormt een band, als je samen naar een dode kijkt. Dat maak je met bijna niemand mee.

     Ik bedenk me dat ik hem een kaartje ga sturen, als alles voorbij is. Iets met: ‘ik zal het nooit vergeten.’ Ik moet er nog goed over nadenken, zoiets moet je op de juiste manier doen. Maar dat komt later wel.

     ‘Heeft u al bedacht wat u hem aan wilt trekken?’ vraagt de begrafenisondernemer. ‘Voor in de kist bedoel ik.’

     Ik zie opeens moeder voor me. Hoe zij opgebaard lag in haar mooiste jurk, de ruw geweven donkerblauwe stof. Al haar ringen, parels en gouden hangers om en aan. Ik bedenk me dat het niks uitmaakt. Dat het allemaal eigenlijk helemaal niks meer uitmaakt.

     ‘Bloot,’ zeg ik. ‘Doe maar gewoon bloot.’

© 2019 Leonieke Baerwaldt